Nieuwe kansen door bekostigingssystematiek OAB-middelen.

Innovatienul13_bekostigingssystematiek

Nieuwe kansen door bekostigingssystematiek OAB-middelen.

Door de nieuwe herverdeling onderwijsachterstandenmiddelen (OAB-middelen) en de bijbehorende opgave van de 960 uur, is er veel veranderd voor gemeenten. Sommige gemeenten zijn er in hun budgetten aanzienlijk op vooruit gegaan, terwijl dit plaatje er voor andere gemeenten juist heel anders uitziet. Daarnaast ervaren gemeenten nu de gevolgen die de nieuwe bekostigingssystematiek voor OAB-middelen met zich meebrengt. Bedragen fluctueren per jaar en er is onduidelijkheid over de op- of afbouw van het budget tot 2023. Laat staan wat de volgende OAB-periode zal brengen. Dat brengt onzekerheid met zich mee en tegelijk is dit een kans. Een gesprek met Koen Kock, partner en adviseur van Innovatie nul13 over de effecten die dat heeft, en hoe je hier als gemeente op kunt anticiperen.

 

Dat je als gemeente juist nu realistisch moet zijn in de keuzes rondom het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid is volgens Koen essentieel. ‘Ja, nieuw beleid en investeren in je voor- en vroegschoolse educatie is nodig gezien de nieuwe eisen rondom die 16 uur en kwaliteit, maar zorg dat je de juiste keuzes maakt zodat je niet, als het budget na of gedurende deze OAB-periode lager uitvalt, weer moet afbreken’.

Verantwoord en toekomstbestendig.

Koen onderstreept nogmaals het belang voor gemeenten om verantwoorde keuzes te maken die ook toekomstbestendig zijn. Dit impliceert: zorg voor helder inzicht in wat je doet, wat dat kost en leg dit ook vast in onder andere beleid en het uitvoeringskader. ‘Je hebt als gemeente een wettelijke verantwoordelijkheid om de basis rondom die voor- en vroegschoolse periode goed op orde te hebben. Dat doe je door samen met alle betrokken partijen vast te stellen: wat heb je nu aan VVE, wat kost dat precies (welke kostprijs per uur hoort daarbij) en wat wil je anders organiseren, en dat ook vastleggen. Zo heb je altijd inzicht in de kosten en kun je straks, als het budget anders wordt, weloverwogen beleidskeuzes maken’.

Wees realistisch in wat lokaal nodig is.

Innovatie nul13 werkt voor veel gemeenten en adviseert hoe zij hun OAB-middelen het beste kunnen inzetten. Bijvoorbeeld een gemeente in het oosten van het land. Deze gemeente is er qua OAB-middelen fors op vooruit gegaan. Koen licht toe: ‘Wij adviseren deze gemeente nu hoe ze dat budget kunnen inzetten. Ook hier beginnen we bij de basis. Zet de VVE goed en stevig neer. Hierbij horen wettelijke opgaven zoals de 16 uur VVE voor doelgroeppeuters. Kijk vervolgens goed naar: wat kost het Kwaliteitskader nu en wat is het effect daarvan inhoudelijk en financieel in de praktijk. Benoem daarin ook de uitzonderingen. Waarom is de ene VVE-locatie duurder of goedkoper dan de andere VVE-locatie? Denk bijvoorbeeld aan het kleine-kernenbeleid met weinig dagdelen open per week en hoge huurlasten, en de vraagstukken rondom zware doelgroeplocaties met een hoog aantal geïndiceerde peuters. Maak duidelijk waarom er uitzonderingen zijn, wat je er wel of niet mee kan of mag als het gaat om staatssteun en marktwerking en wat deze locaties kosten. Kijk ook naar thema’s als vroegsignalering en preventie. Hoe leg je daar de verbinding mee? Hier mag je namelijk ook OAB-middelen op inzetten. Zo adviseren we al een aantal gemeenten met als resultaat een project rondom vroegsignalering met JGZ om de interactie tussen ouder en kind zo vroeg mogelijk al te stimuleren. Preventief dus. Die verbinding met het zorg(sociaal)domein, dat zijn hele mooie vraagstukken, waar de gemeente de regie in kan nemen, maar die zijn tegelijkertijd ook spannend. Hoe breder je het maakt, des te belangrijker is het om helder inzicht te hebben in de exacte kosten met het oog op die fluctuerende OAB-middelen.’
Koen sluit af met het devies: ‘Wees dus realistisch in wat lokaal echt nodig is. En dat is waar wij gemeenten in adviseren. Door helder inzicht te verschaffen in wat gemeenten kunnen doen om onderwijsachterstanden (preventief) tegen te gaan, welke kostprijs daarbij past om vervolgens samen met alle betrokken partijen de juiste keuzes te kunnen maken voor een toekomstbestendig onderwijsachterstandenbeleid.’